Draai je tablet om verder te gaan.

20 Wat is alles duur ...

Wat gebeurt er met het belastinggeld?

1 Doe de taak

Praten en schrijven over belastingen

1

Lees de tekst.

 

thema 20-taak 4-1-H-100%

2

Vul het schema in. Gebruik opdracht 1.

Zoek voorbeelden van belastingen en toeslagen in de tekst van opdracht 1.

Schrijf ze op in het schema.

3

Werk samen.  Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

Kijk naar de foto’s. Welke belasting of toeslag hoort bij de foto?

Zoek het antwoord in de tekst van opdracht 1.

thema 20-taak 4-3-H-100� 

4

Vul het schema in.

Met de belasting betaalt de overheid veel dingen in Nederland.

Kijk in het schema hieronder. Wat vind je belangrijk? Wat vind je niet zo belangrijk? Vul in.

5

Maak de zinnen af. Gebruik opdracht 4.

Kijk in het schema van opdracht 4. Wat vind je belangrijk? Wat vind je niet zo belangrijk? Waarom?

1. Ik vind   belangrijk, omdat  .



2. Ik vind   ook belangrijk, omdat  .



3. Ik vind   niet zo belangrijk, omdat  .



4. Ik vind   ook niet zo belangrijk, omdat  .



6

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A vraagt aan B:

  • Wat moet de overheid met de belasting betalen?
  • Wat vind je belangrijk? Waarom?
  • Wat vind je niet zo belangrijk? Waarom niet?

B antwoordt in een hele zin en zegt ook waarom.

 

Vinden jullie dezelfde dingen belangrijk?

Zijn er verschillen? Welke verschillen?

7

Werk samen. Praat samen.

Lees de zinnen. Wat vind je? Is dit goed of niet zo goed?

Waarom vind je dat?

Maak allebei de zin af:

Ik vind het …, omdat …

  1. Rijke mensen betalen meer belasting dan arme mensen.
  2. De koning en de koningin betalen geen belasting.
  3. Iedereen die werkt moet belasting betalen.
  4. Met de belasting betaalt de overheid de uitkering van werkloze mensen.
  5. Mensen met een hond moeten extra belasting betalen.

8

Werk samen. Praat over de vragen.

  1. Wat vind je van de belastingen in Nederland? Waarom vind je dat?
  2. Vind je het nuttig om over belastingen te leren? Waarom wel of niet?
  3. Betaal je nu belasting, bijvoorbeeld loonbelasting of belasting voor je auto?
  4. Krijg je een toeslag, bijvoorbeeld huurtoeslag of kinderbijslag?
  5. Hoe werkt de belasting in je herkomstland? Vertel bijvoorbeeld:
    • wie betalen belasting?
    • welke belastingen zijn er?
    • wat doet de overheid met de belastingen?

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.