Werk samen. Beantwoord de vraag. Gebruik opdracht 1.
Lees de zinnen. Bij welke tekst hoort de zin? Schrijf 1, 2 of 3.
2 Ik ben werkloos.
1 Ik weet precies hoeveel geld ik heb.
3 Ik heb geen zorgen meer over geld.
3 Vroeger had ik veel problemen met geld.
1 Ik heb soms geld voor luxe dingen.
2 Ik heb een schuld.