Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 7.
A begint.
Wissel daarna van rol.
A werkt bij een bibliotheek.
B belt de bibliotheek.
B wil informatie over het inloopspreekuur Taal en het taalcafé.
B stelt de vragen van opdracht 7.
A geeft antwoord.
A begint zo: Goedemorgen, hoe kan ik u helpen?