Draai je tablet om verder te gaan.

17 Ik zoek werk

Weet jij nog iets?

1 Doe de taak

Hulp vragen aan je netwerk

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Gebruik je netwerk!
Dilan interviewt Yusuf voor de radio. Yusuf werkt bij een uitzendbureau. Ze praten over werk zoeken.

Dilan

Yusuf, zoveel mensen zijn werkloos. Wat kunnen ze doen om werk te vinden? Kun jij hen adviseren?

Yusuf

Nou, ga in ieder geval naar een uitzendbureau. Schrijf je in als werkzoekende. Een uitzendbureau brengt werkgevers en werknemers met elkaar in contact. Zo vinden heel veel mensen een tijdelijke of vaste baan.

Dilan

Ja, maar ik hoor ook dat het behoorlijk lastig is. Het lijkt vooral voor ouderen ongelofelijk moeilijk. Heb jij nog andere tips voor de luisteraars?

Yusuf

Zeker! Gebruik je netwerk!

Dilan

Wat bedoel je? Wat is een netwerk?

Yusuf

De meeste mensen vinden een baan via hun contacten. Dat kunnen contacten zijn in de buurt of op de sportclub. Het kunnen ook contacten zijn op internet, bijvoorbeeld op Facebook. Al deze contacten zijn je netwerk en netwerken is: contact maken met zoveel mogelijk mensen. 

Dilan

Oké, maar hoe moet je dat dan aanpakken?

Yusuf

Vertel iedereen dat je werk zoekt. Sommige mensen hebben tips voor je. Of ze kennen weer iemand anders en die heeft van een baan gehoord. Soms weten ze dat er een vacature is op hun eigen werk. Zo kun je via je netwerk een baan vinden.

Dilan

Duidelijk! Nou, mensen, zet hem op: gebruik je netwerk!

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Wat is een uitzendbureau?
  2. Wat is een netwerk?
  3. Op welke manier kun je netwerken? Welke voorbeelden hoor je in de tekst?

3

Vul het schema in.

Je zoekt een baan en je wilt je netwerk gebruiken.

Welke mensen kunnen je helpen?

Met wie kun je contact opnemen?

Schrijf de namen op.

4

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 3.

Kijk naar het schema van opdracht 3.

  1. Wie zijn de mensen in je netwerk? (familie, vrienden, buren, etc.)
  2. Wat doen ze? Werken ze?
  3. Hoe kunnen ze jou helpen?

5

Lees de situaties. Vul het schema in.

Wat kun je zelf doen?

Aan wie kun je hulp vragen? Waarom?

Bedenk ook zelf een situatie.

6

Werk samen. Praat over opdracht 5.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A kiest een situatie uit het schema van opdracht 5.

A vraagt aan B:

  • Wat kun je zelf doen?
  • Aan wie kun je hulp vragen? Waarom?

B antwoordt in een hele zin:

  • Ik kan zelf…
  • Ik kan hulp vragen aan …, want …

7

Werk samen. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A en B volgen samen een cursus.

A zoekt werk.

Hulp vragen aan iemand in je netwerk

A: Hé, hoe gaat het?

B: Goed, en met jou?

A: Ook goed.

      Mag ik je iets vragen?

B: Natuurlijk.

A: Jij werkt toch bij een groot bedrijf, als vrachtwagenchauffeur?

B: Ja, dat klopt.

A: Ik zoek werk.

      Ik wil graag als chauffeur werken.

      Heeft jouw bedrijf nog vacatures?

      Weet jij nog iets?

B: Nee, dat weet ik niet, maar ik zal het eens vragen.

A: Fijn. Dankjewel.

8

Werk samen. Praat samen.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A kiest een situatie van opdracht 5.

A vraagt hulp aan B.

B geeft antwoord.

9

Werk samen. Voer het gesprek van opdracht 8 nog een keer.

Bedenk nu zelf een situatie en vraag hulp.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.