Draai je tablet om verder te gaan.

1 Wonen

Een huis kopen

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Oliver wil een huis kopen. Hij zoekt huizen op ___.

Mijn zus heeft 10.000 euro geleend bij de bank. Ze moet 3,5 procent ___ betalen over dat bedrag.

We zijn verhuisd naar Amersfoort. We hebben een huis in een nieuwe ___ waar veel jonge gezinnen wonen.

Dit huis is te koop. De ___ vraagt 300.000 euro voor het huis.

Het is een groot huis. Het heeft ___ vijf kamers. Twee beneden en drie boven.

Ik heb mijn salaris gekregen. Nu staat er weer genoeg geld op mijn ___.

Hoeveel geld je kunt lenen ___ van je inkomen. Dat is voor iedereen anders.

- 'Heb je dat pakje al teruggestuurd?'

 - 'Ja, dat heb ik gisteren ___ gemaakt.'

8 van de 8 goed.
Opnieuw invullen

2

Wat hoort bij elkaar?

officieel

volgens de regels

maandelijks

elke maand

van tevoren

vooraf

in totaal

alles bij elkaar

waarschijnlijk

bijna zeker

Opnieuw invullen

3

Sleep de goede woorden in de zin. 

Het is zo'n groot en duur cadeau. Dat kan hij niet accepteren.

Ik moet nog bedenken wat we vanavond gaan eten. Wat vind jij lekker?

Heb je geen water in je woning? Dan kun je contact opnemen met de storingsdienst.

Mary heeft veel spaargeld. Ze wil volgend jaar een mooie reis maken.

Khalil wil een auto kopen, maar hij heeft geen geld. Hij heeft een lening afgesloten bij de bank.

Wat wil je drinken? Ik heb alleen koffie en sinaasappelsap. Helaas is de keuze niet zo groot.

We wonen in een nieuwe wijk. Er zijn nog geen winkels. Gelukkig is er wel een school.

2 van de 2 goed.
Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.