Luister naar de zin.
Wat hoor je?
Ik bel haar moeder.
Ik bel mijn moeder.
Anna vertelt haar verhaal.
Anna vertelt zijn verhaal.
Je poes is in de tuin.
Uw poes is in de tuin.
Is dat je auto?
Is dat uw auto?
Ali zoekt mijn sleutels.
Ali zoekt zijn sleutels.
Is je supermarkt in de buurt?
Is jullie supermarkt in de buurt?
Kies het goede antwoord.
Woont ... vader in Deventer?
je
jullie
jouw
... kinderen gaan naar school.
Haar
Uw
Hun
Dit is niet ... probleem.
ons
onze
Mijn dochter heet Anna en ... dochter heet Layla.
Adam eet ... soep niet.
mijn
zijn
hun
Zijn Ali en Anna ... vrienden?
Lees de zinnen.
Anna, dit is niet ... boek, dit is mijn boek.
Dit is Sofia. ... ouders wonen in Peru.
Zij
Mevrouw Adams, ... huis is heel mooi!
uw
David, is dit ... broer?
Ali en Adam, wie is ... docent?
Ik ben getrouwd met Julia. ... kinderen heten Anna en Sofia.
Zijn
Onze
Welke zin is goed?
Adam vindt hij auto mooi.
Adam vindt zijn auto mooi.
Ik kamer is donker.
Mijn kamer is donker.
Hij naam is Adam.
Zijn naam is Adam.
Adam heeft een flat. Dit is zijn flat.
Adam heeft een flat. Dit is hij flat.
Krijg ik morgen u bericht?
Krijg ik morgen uw bericht?
Heet u dochter Anna?
Heet uw dochter Anna?
Anna en Ali hebben een dochter. Hun dochter heet Sofia.
Anna en Ali hebben een dochter. Haar dochter heet Sofia.
John is een man. Haar vriendin woont in Canada.
John is een man. Zijn vriendin woont in Canada.
Ons huis heeft een tuin.
Onze huis heeft een tuin.
Ik heet Adam en dit is mijn vriendin.
Ik heet Adam en dit is haar vriendin.
Mag ik jouw adres, meneer Van der Zee?
Mag ik uw adres, meneer Van der Zee?
Kan ik op de markt met mijn pinpas betalen?
Kan ik op de markt met zijn pinpas betalen?
Lees de woorden.
Zet de woorden op de goede plaats.
John heeft jullie adres.
Mijn vader werkt in een winkel.
Ken je onze vrienden?
Mevrouw van Dam, uw glas is vies.
De buren bellen hun dochter.
Dit is de regel:
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.