Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

11.2 geen

1

Luister naar de zin.

Lees de zin.

Kijk naar het plaatje.

 De man heeft een vrouw.

29_B

 

 De man heeft geen vrouw.

29_A

 

 De vrouw heeft hoofdpijn.

29_C

 

De vrouw heeft geen hoofdpijn.

29_D

2

Lees de zin.

Wat is het goede plaatje?

John heeft geen tas.

Anna heeft geen geld.

Layla heeft geen kind.

Ali drinkt geen water.

David eet geen vlees.

5 van de 5 goed.
Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Wat is het goede plaatje?

Sofia schrijft geen e-mail.

Adam draagt geen T-shirt.

Julia heeft geen voetbal.

De jongen eet geen boterham.

Het kind drinkt geen melk.

5 van de 5 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

Ik   heb geen auto  .

Het kind   eet geen groente  .

Layla   maakt geen taart  .

Ik   heb geen trap   in mijn huis  .

We   kopen geen koekjes   in de supermarkt  .

Ik   heb geen vrienden   in Amsterdam.

Adam   eet geen snoepjes  .

We   zien geen nieuwe   computers  .

Ik   drink   op school geen koffie  .

Ze   kunnen geen Nederlands   spreken  .

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

Ik   eet geen groente  .

Sofia   drinkt geen melk  .

Ik   heb geen kinderen  .

De buren   hebben geen hond  .

Ze   koopt geen nieuwe   fiets  .

Julia   doet geen boodschappen   bij Albert Heijn  .

Mijn broer   spreekt geen Engels  .

Ik   heb geen huis   met een balkon.

Ali   drinkt geen koffie  .

Ze   kennen geen mensen   in Dokkum  .

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

Ali heeft geen fiets.

Sofia heeft geen zussen.

Het kind eet geen vis.

De man heeft geen geld.

We drinken geen alcohol.

U koopt geen bruine broek.

Ik heb geen suiker.

Ze leest geen boeken.

Die winkel verkoopt geen telefoons.

Ik zoek geen nieuw huis.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

Julia koopt een auto.

Julia koopt geen auto.

 

We hebben een supermarkt in ons dorp.

We hebben geen supermarkt in ons dorp.

 

Ik heb geld.

Ik heb geen geld.

 

Ze eten koekjes.

Ze eten geen koekjes.

 

Geen staat altijd voor een ander woord.

Bijvoorbeeld: auto, geld, koekjes, supermarkt.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.