Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

3.4. de zin met twee werkwoorden

1

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

Ik   wil   graag   in Rotterdam werken.

We kunnen goed   luisteren  .

Je mag de docent   helpen  .

Jullie   moeten   goed kijken.

kunt bij de kassa   afrekenen  .

Zal   je   me bellen?

Ze gaan om tien uur   slapen  .

Layla   gaat   in Nederland wonen.

Ze   moeten   nu slapen.

We zullen morgen   om drie uur   komen.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Jullie willen graag in Utrecht werken.

kunt hier oversteken.

Ik kan je naam niet spellen.

mag hier niet roken.

We moeten boodschappen doen.

Jullie willen het werk snel doen.

John gaat in België werken.

Komt je dochtertje buiten spelen?

Ze komen zaterdag bij ons eten.

De kinderen moeten om tien uur thuis zijn.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

De zin is fout.

Welk woord moet weg?

Typ het woord.

Ik wil werk in Rotterdam werken.

werk

Je mag drink geen koffie drinken.

drink

U gaat vertrek met de trein vertrekken.

vertrek

Ik wil praat met de docent praten.

praat

Ik wil loop naar huis lopen.

loop

Ik zal stuur een e-mail sturen.

stuur

6 van de 6 goed.
Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het woord naar de goede plaats.

We kunnen   morgen vis kopen.

We willen   geen vis eten.

We moeten   boodschappen doen.

Jullie kunnen   vlees en vis kopen.

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zin. 

Sleep het woord naar de goede plaats.

We gaan in Groningen   boodschappen   doen  .

Layla wil geen melk   drinken  .

Mijn vader   zal   morgen   een e-mail krijgen.

moet meteen   vertrekken  .

Zullen   we   een afspraak maken?

Ik   kan   mijn laptop   niet vinden.

Ik kan je   vandaag   niet   helpen  .

Mag   ik   patat kopen?

Jullie   moeten   straks  naar huis gaan.

Ze mogen niet   naar binnen   gaan  .

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de zinnen.

Welke is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

We willen nu betalen.

Ik wil geen Nederlands leren.

We mogen niet praten.

We moeten de buurman helpen.

kunt morgen komen.

Ik zal veel e-mails schrijven.

Mijn moeder gaat een verhaal vertellen.

Het kind wil geen melk drinken.

Hij gaat zijn dochter helpen.

Mijn ouders willen naar New York gaan.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:


 

Ik         leer      Nederlands.    
Ik         wil Nederlands   leren.
         
Pieter kijkt    thuis tv.  
Pieter gaat      thuis tv kijken.
         
We komen  morgen niet.  
We kunnen morgen niet komen.

 

Het tweede werkwoord staat aan het eind van de zin.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.