Luister naar de zin.
Wat hoor je?
Ik wil graag in Rotterdam werken.
Ik graag in Rotterdam werken.
We wonen in Utrecht.
We gaan in Utrecht wonen.
Jullie even wachten.
Jullie moeten even wachten.
Ik boodschappen voor je doen.
Ik zal boodschappen voor je doen.
U oversteken hier.
U kunt hier oversteken.
We willen je graag helpen.
We graag je helpen.
Je schrijven heel goed.
Je kan heel goed schrijven.
U dichtdoen het raam.
U mag het raam dichtdoen.
Ze zal in maart een kind krijgen.
Ze krijgen in maar een kind.
We buiten roken.
We mogen buiten roken.
We kunnen goed luisteren .
Je mag de docent helpen .
Jullie moeten goed kijken.
U kunt bij de kassa afrekenen .
Zal je me bellen?
Ze gaan om tien uur slapen .
Layla gaat in Nederland wonen.
Ze moeten nu slapen.
We zullen morgen om drie uur komen.
Zet de woorden op de goede plaats.
Jullie willen graag in Utrecht werken.
Ik kan je naam niet spellen.
U mag hier niet roken.
We moeten boodschappen doen.
Jullie willen het werk snel doen.
John gaat in België werken.
Komt je dochtertje buiten spelen?
Ze komen zaterdag bij ons eten.
De kinderen moeten om tien uur thuis zijn.
Lees de zin.
De zin is fout.
Welk woord moet weg?
Typ het woord.
Ik wil werk in Rotterdam werken.
werk
Je mag drink geen koffie drinken.
drink
U gaat vertrek met de trein vertrekken.
vertrek
Ik wil praat met de docent praten.
praat
Ik wil loop naar huis lopen.
loop
Ik zal stuur een e-mail sturen.
stuur
Sleep het woord naar de goede plaats.
We kunnen morgen vis kopen.
We willen geen vis eten.
Jullie kunnen vlees en vis kopen.
We gaan in Groningen boodschappen doen .
Layla wil geen melk drinken .
Mijn vader zal morgen een e-mail krijgen.
U moet meteen vertrekken .
Zullen we een afspraak maken?
Ik kan mijn laptop niet vinden.
Ik kan je vandaag niet helpen .
Mag ik patat kopen?
Jullie moeten straks naar huis gaan.
Ze mogen niet naar binnen gaan .
Lees de zinnen.
Welke is goed?
Ik wil graag in Heiloo wonen.
Ik graag in Heiloo wonen.
We moeten kopen brood en kaas.
We moeten brood en kaas kopen.
Ik hem iets vragen.
Ik wil hem iets vragen.
Kunnen jullie goed slapen?
Kunnen jullie slapen goed?
De kinderen ga nu eten.
De kinderen gaan nu eten.
Ik de dokter bellen.
Ik zal de dokter bellen.
Kan gaan Sarah met de bus naar school?
Kan Sarah met de bus naar school gaan?
Hij wil het adres weten.
Hij het adres weten.
Je moet dat aan je moeder vragen.
Je moet vragen dat aan je moeder.
U hier niet zitten.
U mag hier niet zitten.
Lees de woorden.
We willen nu betalen.
Ik wil geen Nederlands leren.
We mogen niet praten.
We moeten de buurman helpen.
U kunt morgen komen.
Ik zal veel e-mails schrijven.
Mijn moeder gaat een verhaal vertellen.
Het kind wil geen melk drinken.
Hij gaat zijn dochter helpen.
Mijn ouders willen naar New York gaan.
Dit is de regel:
Het tweede werkwoord staat aan het eind van de zin.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.