Luister naar de zin.
Wat hoor je?
Ik Nederlands geleerd.
Ik heb Nederlands geleerd.
Anna soep gemaakt.
Anna heeft soep gemaakt.
Je hebt lekker gekookt.
Je lekker gekookt.
Wat heeft hij gezegd?
Wat hij gezegd?
Mijn ouders in Groningen gewoond.
Mijn ouders hebben in Groningen gewoond.
Ik gisteren kip gehaald.
Ik heb gisteren kip gehaald.
We naar de docent geluisterd.
We hebben naar de docent geluisterd.
Hij heeft geld gepind.
Hij geld gepind.
Je hond heeft niet geblaft.
Je hond niet geblaft.
Ik een e-mail gestuurd.
Ik heb een e-mail gestuurd.
Lees de vraag.
Kies het goede antwoord.
Is het werk klaar?
ja
nee
Is Ali klaar met bellen?
Is de pizza klaar?
Is Adam klaar met pinnen?
Is Layla klaar met fietsen?
Ik ... David gebeld.
heb
hebben
Je ... naar muziek geluisterd.
hebt
... je de e-mail gecontroleerd?
Heb
Hebt
We ... op school veel geleerd.
De vakantie ... zes weken geduurd.
heeft
De kinderen ... niet gehuild.
We ... met de buurman gepraat.
Hij ... de fiets gepakt.
... jullie met de kinderen gespeeld?
Hebben
Sleep het woord naar de goede plaats.
Ik heb een hamburger gehaald.
We hebben woensdag gewerkt.
Ze heeft de krant gepakt.
De kinderen hebben vanmiddag gespeeld.
We hebben de trein gemist.
Ik heb de pan op het fornuis gezet.
Onze vakantie heeft niet veel geld gekost.
Hij heeft vanmiddag in het park gefietst.
De kinderen hebben naar muziek geluisterd.
We hebben de baby niet gehoord.
Zet de woorden op de goede plaats.
Ik heb een bericht gestuurd.
Anna heeft nog nooit gerookt.
We hebben je gemist.
Je hebt lekkere vis gemaakt.
We hebben niet lang gewacht.
Heb je de broek geruild?
Ik heb fijn gedroomd.
John heeft in het park gevoetbald.
Hij heeft me gebeld.
Ze hebben niets gezegd.
Lees de zin.
We ... op de trein gewacht.
Layla ... met de docent gepraat.
De baby ... niet gehuild.
Sarah ... haar naam gespeld.
Ik ... altijd gerookt.
John en Ali ... een advertentie op internet gezet.
Je ... te veel gepind!
We ... woensdag een afspraak gemaakt.
Je ... de verkeerde spullen gepakt.
Mijn vader ... in Sydney gewoond.
Ik heb vannacht gedroomd.
Sarah heeft de rok geruild.
De vriendinnen hebben in Maastricht gewinkeld.
Ali heeft het pakje gehaald.
We hebben niks gestuurd.
De buren hebben onze wasmachine gerepareerd.
Mohammed heeft het bericht gehoord.
Ik heb in de winkel gepind.
De vrouwen hebben een uur gepraat.
Ik heb in een supermarkt gewerkt.
Lees de zinnen.Welke zin is goed?
De baby heeft gisteravond gehuild.
De baby huilt gisteravond.
We hebben gisteren niet gerookt.
We roken gisteren niet.
Ik bel je volgende week.
Ik heb je volgende week gebeld.
Ze hebben vorig jaar Nederlands geleerd.
Ze leren vorig jaar Nederlands.
Ali heeft gisteren de dokter gebeld.
Ali belt gisteren de dokter.
Het regent vorige week veel.
Het heeft vorige week veel geregend.
Ik heb vorig jaar in Rotterdam gewerkt.
Ik werk vorig jaar in Rotterdam.
Ik werk morgen niet.
Ik heb morgen niet gewerkt.
Ik maak morgen een pizza voor je.
Ik heb morgen een pizza voor je gemaakt.
Lees de woorden.
Ik heb nog nooit gerookt.
We hebben de docent gebeld.
De soep heeft een half uur gekookt.
We hebben lang gewacht.
Je hebt mijn naam gespeld.
De bewoners hebben de politie gebeld.
Ze heeft een pizza gehaald.
Ali en John hebben de bus gemist.
De lunch heeft een half uur geduurd.
Hij heeft de aardappels gekookt.
Dit is de regel:
Let op:Je schrijft geluisterd, maar je zegt: geluistert.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.